Fout bij het starten van de viewer

De configuratie kon niet worden geladen.

Chw Omgevingsplan Centrum Rijssen

Toelichting

Inleiding

De gemeenteraad stelde in 2016 de Structuurvisie Centrum Rijssen 2025 vast. De visie zet in op: behoud en versterking hoofdwinkelstructuur; behoud en verbetering woon-leefmilieu, versterking ruimtelijke kwaliteit; versterking stedelijke identiteit en de versterking van de historische kwaliteiten.

De structuurvisie geeft sturing aan het centrum van Rijssen om deze aantrekkelijk en leefbaar te houden. De visie is een afwegingskader bij nieuwe ontwikkelingen in het centrum. Structurele wijzigingen worden juridisch verankerd in nieuw bestemmingsplan voor het centrum van Rijssen. Dit Chw Omgevingsplan Centrum Rijssen vertaalt de hoofdlijnen van de structuurvisie in planologisch-juridische regels (bouw- en functieregels) en regels ten aanzien van activiteiten (evenementen, terrassen.

De Crisis- en herstelwet biedt de mogelijkheid om een bestemmingsplan te maken dat sterk lijkt op het omgevingsplan uit de Omgevingswet. Vanwege de verbrede reikwijdte van dit bestemmingsplan (Chw omgevingsplan) zijn er ook andere regels die gelden voor de 'fysieke leefomgeving' toevoegd. Voornamelijk regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Rijssen-Holten 2010 (APV) die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Het gaat hierbij bijvoorbeeld over regels ten aanzien van; slopen, kappen, evenementen, standplaatsen en terrassen. De regels over welstand en reclame zijn toegevoegd aan de bouwregels.

Wat is een Chw omgevingsplan

De kern van de Crisis- en herstelwet (Chw) is dat met nieuwe en/of aangepaste procedures doelgericht wordt gewerkt aan werkgelegenheid en duurzaamheid.Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kent niet alleen een nieuw begrippenkader en nieuwe (afwijkende) wettelijke mogelijkheden, de wijze van totstandkoming is ook anders dan we tot nu toe gewend zijn. In het bestemmingsplan stond het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ centraal. Alleen regels met een ruimtelijke relevantie konden worden opgenomen. Nu gaat het om het kunnen stellen van regels die strekken ten behoeve van het volledige domein van de fysieke leefomgeving.

De gemeente Rijssen-Holten mag vooruitlopend op de Omgevingswet experimenteren met “bestemmingsplannen met een verbrede reikwijdte”. Dit op basis van artikel 7g van het Besluit Crisis en herstelwet. In de PM tranche is het hele grondgebied van de gemeente Rijssen-Holten hiervoor aangewezen (besluit van PM, gepubliceerd in het Staatsblad van PM). Het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kent de volgende mogelijkheden:

verplicht

Voor diverse gemeenten is in de Crisis- en herstelwet de mogelijkheid opgenomen om te experimenteren met een bredere reikwijdte van bestemmingsplannen. Daarmee krijgen deze bestemmingsplannen het karakter van een omgevingsplan. Hiermee wordt vooruitgelopen op en ervaring opgedaan met de nieuwe Omgevingswet. Om duidelijk aan te geven dat er sprake is van een aparte planfiguur in de ruimtelijke ordening wordt hierna niet gesproken over een bestemmingsplan maar over het Chw omgevingsplan.

In onderstaande afbeelding is te zien dat in een omgevingsplan onder ander regels over reclame, kappen, maar ook over slopen, erfgoed en terrassen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen. Met de verbrede reikwijdte worden deze regels ook in dit Chw Omgevingsplan Centrum Rijssen opgenomen. Zo kan er beter integraal en gebiedsdekkend worden gekeken naar centrum van Rijssen.

verplicht

Ligging van het plangebied

Het Chw Omgevingsplan Centrum Rijssen voor het centrum van Rijssen wordt globaal begrensd door het NS-station, Molenstalweg, het stationsgebied, Watermolen en de Dokter Stokkerstraat aan de noordzijde, de Huttenwal aan de westzijde, het Hogepad aan de zuidzijde en de Oranjestraat en Enterstraat aan de oostzijde.

Hiermee bestaat het plangebied voornamelijk uit de historische kern binnen de middeleeuwse ronde structuur met een uitloop richting het NS-station en directe omgeving.

Geldende planologisch regiem

Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het geldende bestemmingsplan 'Kern Rijssen 2010'. Dit bestemmingsplan is op 13 december 2012 door de gemeenteraad van Rijssen-Holten vastgesteld. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen.

verplicht

 

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente Rijssen-Holten beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante milieu- en omgevingsthema's de revue. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische aspecten en de planverantwoording. In de hoofdstukken 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het plan. Hoofdstuk 7 gaat in op de inspraak en het vooroverleg.

Planbeschrijving

Beleidskaders

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo ontstaat er ruimte voor maatwerk en keuzes van burgers en bedrijven.

Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040; een visie hoe Nederland er in 2040 voor moet staan. Dit doet het Rijk op basis van de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven zowel bovengronds als ondergronds richting 2040 bepalen. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland.

verplicht

fragment omgeving Twente uit kaart nationale ruimtelijke hoofdstructuur (SVIR)

Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Het gaat om:

  1. Het Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  2. Militaire terreinen en -objecten;
  3. De Wadden;
  4. De kust (inclusief primaire kering);
  5. De grote rivieren;
  6. De Werelderfgoederen.
  7. Reserveringen uitbreidingen weg en spoor;
  8. Veiligheid vaarwegen
  9. Het netwerk voor elektriciteitsvoorziening;
  10. De buitendijkse uitbreidingsruimte in het IJsselmeer;
  11. Bescherming van de (overige) primaire waterkeringen;
  12. Reservering voor rivierverruiming Maas;
  13. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Bij het opstellen van voorliggend Chw Omgevingsplan Centrum Rijssen is met name het beleidsvoornemen om te komen tot één integraal juridisch kader met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Het beleid van het Rijk heeft geen gevolgen voor de opzet en inhoud van dit Chw omgevingsplan.

Ladder van duurzame verstedelijking

De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In artikel 3.1.6. van het Bro staat dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Onderhaving Chw omgevingsplan heeft betrekking op het centrum van Rijssen en voorziet niet in perceelsoverschrijdende nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Bij een wijzigingsplan of een aanvraag omgevingsvergunning met afwijkingsregel kan getoetst worden aan het geldende beleid. Op dat moment is de definitieve opzet van het plan immers pas bekend en kan er rekening worden gehouden met de actuele omgevingssituatie en actuele beleidsuitgangspunten.

Omgevingsvisie en verordening

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities, gebruiken we het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal.

verplicht

Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.

Rode draden en beleidsambities

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of ‘rode draden’ bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel.

De provincie hanteert de volgende definitie van duurzaamheid: “duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.”

Ruimtelijke kwaliteit definiëren we als: “datgene wat ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is.” Ruimtelijke kwaliteit gaat voor ons dus niet zozeer over ‘mooi’, maar vooral over ‘goed’: functioneel, mooi en toekomstbestendig. Overigens is deze benadering van ruimtelijke kwaliteit in overeenstemming met de gangbare definitie. Deze is een optelsom van:

  • gebruikswaarde: functionaliteit, bereikbaarheid, toegankelijkheid, nut en noodzaak van een initiatief dat ontwikkeld wordt
  • belevingswaarde: beeldkwaliteit, het ‘mooie’, de identiteit van een gebied, het gevoel van (toekomstige) gebruikers en bewoners
  • toekomstwaarde: het vermogen om ruimtelijke gevolgen van veranderende omstandigheden op te vangen (flexibiliteit, beheerbaarheid)

De rode draad sociale kwaliteit gaat over het welzijn of ‘goed voelen’ van de mens. Daarbij spelen zaken als gezondheid en vitaliteit een belangrijke rol, maar ook arbeidsparticipatie (mede in relatie tot onderwijs), sociale uitsluiting en armoede. In onze Omgevingsvisie beperken wij ons tot het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.

De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat zijn vertaald in centrale beleidsambities. Deze benadert de provincie vanuit de – overkoepelende – rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit, waarvoor de provincie – themaoverstijgende – kwaliteitsambities heeft geformuleerd. Het schema hierna geeft een overzicht van alle onderwerpen die de provincie in ieder geval van provinciaal belang vindt.

verplicht

Centrale beleidsambities Omgevingsvisie Overijssel

Generieke beleidskeuzes (of)

Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidkeuzes van Europa, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In dit hoofdstuk vind je de provinciale generieke beleidskeuzes die bepalend zijn voor de vraag of een initiatief mogelijk is. Een deel van deze beleidskeuzes geldt voor heel Overijssel, een deel voor specifieke gebieden in Overijssel.

Voor heel Overijssel

In heel Overijssel is een aantal beleidskeuzes van toepassing op nagenoeg alle thema’s en locaties. Dit zijn:

integraliteit

De eis van integraliteit houdt in dat alle belangen die bij een ontwikkeling betrokken zijn, zorgvuldig tegen elkaar worden afgewogen. Met deze wettelijke eis uit het Besluit ruimtelijke ordening wordt verzekerd dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Een transparante en evenwichtige afweging tussen alle relevante ecologische, economische en sociaal-culturele belangen draagt bij aan een duurzame ontwikkeling. Een integrale benadering is voorwaarde om complexe maatschappelijke opgaven het hoofd te bieden. In de onderbouwing van nieuwe initiatieven geeft de gemeente inzicht in de wijze waarop alle relevante belangen en beleidsambities zijn afgewogen.

Alle in deze toelichting opgenomen thema's, beleidsdocumenten, milieutoetsen en andere afwegingen vormen met elkaar een integrale belangenafweging.

toekomstbestendigheid

De eis dat gekozen oplossingen voor maatschappelijke opgaven toekomstbestendig moeten zijn, houdt in dat een initiatief de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te kunnen voorzien niet in gevaar mag brengen. Initiatieven moeten bijdragen aan een duurzame benadering van ontwikkelingen die voorzien in de behoefte van de huidige generatie, maar die opties openhoudt om ook te voorzien in behoeften van toekomstige generaties. Het gaat dan om een evenwichtige benadering van het welzijn van mensen, economische welvaart en van het beheer van natuurlijke voorraden. Bij toekomstbestendigheid gaat het ook om de effecten van ingrepen op verschillende schaalniveaus (van directe buren tot ver over de grens) en over de vraag of het project over 20 of 30 jaar nog steeds toegevoegde waarde heeft. In de onderbouwing van nieuwe initiatieven geeft de gemeente inzicht in de wijze waarop invulling is gegeven aan de eis van toekomstbestendigheid.

concentratiebeleid

Het concentratiebeleid van de provincie Overijssel houdt in dat stedelijke ontwikkelingen (wonen, werken en voorzieningen) zoveel mogelijk geconcentreerd worden in de stedelijke netwerken Twente (Enschede, Hengelo, Almelo, Oldenzaal en Borne), Zwolle-Kampen en Deventer Stedendriehoek. Daar mag gebouwd worden voor de (boven)regionale behoefte. De kernen Hardenberg en Steenwijk kunnen bouwen voor de regionale behoefte mits dit past binnen de regionale programmering.

Voor de overige kernen geldt dat er voor lokale behoefte en bijzondere doelgroepen gebouwd mag worden. Er is nog een uitzondering op het principe dat alleen voor de lokale behoefte gebouwd mag worden. Wij bieden de mogelijkheid aan samenwerkende gemeenten om afspraken te maken waarbij een gemeente in (een deel van) de behoefte van een buurgemeente voorziet. Deze afspraken moeten passen binnen de regionale programmering die op de gemeenten van toepassing is.

In de onderbouwing van nieuwe initiatieven geeft de gemeente inzicht in de wijze waarop daarmee wordt voorzien in de behoefte van deze gemeente.

regionale afstemming

De verplichting tot (boven)regionale afstemming is erop gericht om gemeenten gezamenlijk verantwoordelijkheid te laten nemen voor de regionale programmering van woningbouw, werklocaties en stedelijke voorzieningen. Ook wanneer een gemeente alleen voorziet in haar eigen (lokale) behoefte is onderlinge afstemming gewenst, omdat het aanbod in een gemeente aan woningen, werklocaties en voorzieningen onderdeel uitmaakt van een regionale markt.

zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

De eis van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik is erop gericht om onnodig nieuw ruimtebeslag – zowel ondergronds als bovengronds – te voorkomen. De provincie wil het onderscheid tussen het bestaande bebouwde gebied en de onbebouwde groene omgeving scherp houden.

Het voorkomen van onnodig ruimtebeslag begint bij de vraag of er wel een maatschappelijke behoefte is aan de beoogde ontwikkeling. Voor de beantwoording van de vraag naar nut en noodzaak, gelden voor sommige functies op grond van het provinciale beleid specifieke motiveringseisen. Dit geldt in ieder geval voor wonen, de ontwikkeling van bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel.

Vanuit het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’ moeten bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling eerst waar mogelijk locaties benut worden binnen gebieden die al een stedelijke functie hebben, voordat een claim mag worden gelegd op gebieden die nu nog een groene functie hebben.

Voor specifieke gebieden

Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen. Het gaat dan bijvoorbeeld om:

  • de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast
  • het veilig stellen van ons drinkwater
  • het behoud van plant- en diersoorten (biodiversiteit)
  • de bescherming van zeldzame of unieke landschapskwaliteiten
  • het beperken van de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen

verplicht

Fragment Omgevingsvisie Overijssel; Generieke beleidskeuze

Het plangebied van het centrum van Rijssen valt niet binnen één van deze specifieke gebieden.

Ontwikkelingsperspectieven (waar)

De ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

verplicht

Fragment Omgevingsvisie Overijssel; Ontwikkelingsperspectieven

De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

Gebiedskenmerken (hoe)

Nieuwe ruimtelijke opgaven wil de provincie verbinden met bestaande gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken spelen zo een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Onder gebiedskenmerken verstaan we de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype.

verplicht

Fragment Omgevingsvisie Overijssel; Natuurlijke laag

Rijssen en haar omgeving staan op de kaart van de natuurlijke laag aangegeven als ‘beekdalen en natte laagtes’. Rijssen ligt op ‘dekzandvlakte en ruggen’. Het Reggedal en de Stuwwal Rijssen zijn door de provincie aangewezen als Ecologische hoofdstructuur (EHS). Momenteel ontbreekt de verbinding tussen stuwwal en de Regge. In de EHS staat het handhaven van de rust en het tegengaan van verstoring en versnippering door het weren van grootschalige nieuwe ontwikkelingen centraal.

verplicht

Fragment Omgevingsvisie Overijssel; Stedelijke laag

De historische centra, binnensteden en landstadjes vormen de functionele en emotionele kernen van de steden en dorpen. Ruimtelijk kenmerkend zijn de compacte bebouwingsstructuur, veelal binnen (voormalige) omwalling en veel individuele karakterverschillen op korte afstand. Veel historische centra, binnensteden en landstadjes herbergen bijzondere condities zoals een waterfront of stationsgebied en staan symbool voor de identitiet en eigenheid van de steden en stadjes. Funcioneel worden deze gebieden gekenmerkt door een mix van functies waarvan de concentratie van voorzieningen op gebied van detailhandel, horeca, cultuur, onderwijs, gezondheidszorg et cetera een belangrijk deel vormt. Oude singels en parken refereren aan oude stadswallen. Het historisch patroon van straten en bebouwing vormt nog steeds de onderlegger van de oude centra. Lokaal en streekgebonden varieren de historische centra, binnensteden en landstadjes sterk van elkaar. Onder andere zijn te herkennen: Hanzesteden, de kernen van de Stedenband Twente en de landstadjes.

Structuurvisie Centrum Rijssen (SCR2025)

Op 2 juni 2016 stelde de gemeenteraad de Structuurvisie Centrum Rijssen 2025 vast. De visie zet in op: behoud en versterking hoofdwinkelstructuur; behoud en verbetering woon-leefmilieu, versterking ruimtelijke kwaliteit; versterking stedelijke identiteit en de versterking van de historische kwaliteiten.

De SCR2025 schept duidelijkheid voor burgers, ondernemers, instellingen en andere overheden over de door het gemeentebestuur gewenste ontwikkelingsrichting van het centrum van Rijssen en de prioriteiten die het bestuur hierbij stelt. De SCR2025 brengt beleid en ontwikkelingen in kaart en met elkaar in verband; het biedt een totaalperspectief voor het centrum van Rijssen.

verplicht

De visie SCR2025 gaat in op mogelijke functies voor het centrum. De functionele aspecten hebben betrekking op het gebruik van gebouwen en gronden met thema's, zoals wonen, werken en horeca. Ten tweede wordt ingegaan op de ruimtelijke aspecten van het centrum. Bij de ruimtelijke aspecten gaat het meer om de vraag hoe de omgeving er uit ziet. Onder andere komen aard en schaal van de bebouwing, bebouwd of onbebouwd, stedenbouwkundige structuren en bouwhoogten aan de orde.

De visie SCR2025 werkt door in de wijze van het toekennen van funties aan locaties en gebieden in onderhavig Chw Omgevingsplan Centrum Rijssen. Daarnaast zijn de bouwregels opgesteld aan de hand van de uitgangspunten van de visie.

Woonvisie 2017-2021

De Nota Woningbouw 2017 t/m 2021 “Evenwichtig Groeien” is de actualisatie van de Nota Woningbouw 2014 - 2020.

In de nota staat onder andere dat grondgebonden (goedkope) koopwoningen voor starters een belangrijk item is. De doorstromers zijn zeer zeker ook een belangrijke doelgroep, vooral wanneer het gaat om verkoop van kavels voor vooral twee-onder-eenkap en vrijstaande woningen.

Voor de bouw van appartementen wel nieuwe plannen in ontwikkeling nemen, naast de plannen waar al afspraken over gemaakt zijn c.q. die al in aanbouw zijn. Op dit moment is de prognose uit het woononderzoek dat in de periode 2017 t/m 2021 slechts 45 appartementen kunnen worden gebouwd.

Wij stellen voor om in het woningbouwprogramma voor de periode 2017 t/m 2021 voor circa 115 appartementen ruimte op te nemen. Er is dan naast bovengenoemde plannen nog ruimte voor de bouw van circa 70 appartementen. Deze plannen moeten voldoen aan de genoemde omschrijving van knelpunt. Jaarlijks zal over de realisering van de appartementen evaluatie plaatsvinden vooral om te monitoren of de markt de plannen opneemt.

Vooral in het centrum of aangrenzende gebieden worden appartementen ook gebruikt om (ruimtelijke/planologische) knelpunten op te lossen. Hiervoor zijn nog circa 70 appartementen beschikbaar. Een knelpunt is een locatie waar een milieu knelpunt of milieuhinderlijk bedrijf aanwezig is, of langdurige leegstand dreigt (> 3 jaar), of een functie aanwezig is die planologisch niet meer op de locatie past, of waar omzetting naar woningbouw in de vorm van appartementen stedenbouwkundig en planologisch een goede oplossing is. Daarnaast moet de locatie door de woningbouw een betere ruimtelijke uitstraling krijgen. De projecten in het centrumgebied hebben prioriteit boven andere projecten, hier geldt de 3-jaar termijn niet.

Duurzaamheidsvisie

In de Duurzaamheidsvisie geeft het de gemeente Rijssen-Holten zijn visie op het gebied van duurzaamheid en milieu weer voor de periode 2016-2019 met een doorkijk voor de periode daarna.

Het verband tussen ruimtelijke ontwikkeling (en economie) en verschillende milieuthema’s is belangrijk, omdat bij het planproces al in een vroeg stadium uitgangspunten geformuleerd moeten worden met betrekking tot de ruimtelijke ambitie.

Luchtkwaliteit – Ruimtelijke Ontwikkeling

Luchtkwaliteit wordt meegenomen in de besluitvorming rond ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen. Wanneer er sprake is van het realiseren van woningen of andere gevoelige functies langs wegen met een (dreigende) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen moet een luchtkwaliteitsonderzoek worden uitgevoerd, waarna wordt afgewogen of dit plan door mag gaan.

Geur – Ruimtelijke Ontwikkeling

Het geurbeleid kan een oplossing vormen op de wrijving tussen de velden wonen en bedrijvigheid door veehouderijen, door een evenwicht te vinden tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen, leefbaarheid in woonwijken en het belang van veehouders.

Externe Veiligheid – Ruimtelijke Ontwikkeling

Het principe van externe veiligheid is het ruimtelijk scheiden van risicobronnen en hen die risico’s ontvangen. Dit principe is goed toe te passen. Doordat in de praktijk diverse belangen spelen wordt het principe van ruimtelijk scheiden echter niet altijd toegepast. Om de veiligheid toch nog enigszins te borgen zijn er ruimtelijke en niet- ruimtelijke maatregelen die getroffen kunnen worden.

Nu en in de toekomst zal bij elke ruimtelijke ontwikkeling een afweging moeten worden gemaakt van het veiligheidsbelang ten opzichte van het ruimtelijk belang. Een ruimtelijk belang is vaak ook een financieel belang. Ruimtelijke ontwikkelingen vinden bijna altijd plaats binnen het gebied van invloed van een risicobron of transportstroom.

Geluidhinder – Ruimtelijke Ontwikkeling

Bij ruimtelijke ontwikkelingen rondom wegen, spoorlijnen of bedrijven dient rekening te worden gehouden met de geluidbelasting op woningen. Ruimtelijke ontwikkelingen leiden mogelijk tot een hogere geluidbelasting, waardoor het nemen van geluid reducerende maatregelen noodzakelijk is. Een hogere geluidbelasting op woningen kan onder bepaalde omstandigheden worden toegestaan, bijvoorbeeld wanneer geen maatregelen nodig zijn en de noodzaak hiertoe is aangetoond.

Water – Ruimtelijke Ontwikkeling

Maatregelen als het creëren van ruimte voor water leggen beslag op de ruimte. Ontwikkelingen als het voorkomen van extreme weersomstandigheden als meer zware regenval en hittegolven maken aanpassingen aan het watersysteem tegelijk ook steeds belangrijker. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het aspect water hierom altijd worden meegewogen.

Biodiversiteit – Ruimtelijke Ontwikkeling

Ruimtelijke ontwikkelingen hebben een grote invloed op de biodiversiteit, deze invloed kan zowel positief als negatief zijn. Zo kan het aanbrengen van meer groen in bebouwde gebieden en het aanleggen van verbindingszones tussen natuurgebieden leiden tot een hogere biodiversiteit, terwijl versnippering van natuurgebieden en het vergroten van het bebouwde oppervlakte kan leiden tot een afnemende biodiversiteit. Hierom is het noodzakelijk bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de gevolgen voor de natuur.

Bodem – Ruimtelijke Ontwikkeling

De bodemkwaliteit kan een belemmering vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen, wanneer de bodem zo verontreinigd is dat deze voor bepaalde functies ongeschikt is. Het uitvoeren van bodemonderzoeken om de bodemkwaliteit in Rijssen-Holten in beeld te brengen is noodzakelijk voordat ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden.

Klimaat/Duurzaamheid – Ruimtelijke Ontwikkeling

Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen een grote rol spelen in het behalen van de klimaatdoelstellingen. Door het thema klimaat/duurzaamheid mee te wegen in ruimtelijke plannen kunnen bijvoorbeeld energiebesparing en energieopwekkingen worden meegenomen. Wat ruimtelijke ontwikkelingen betreft kan heel goed worden gestreefd naar meerwaarde.

Milieu- en omgevingsaspecten

In het voorliggend Chw Omgevingsplan Centrum Rijssen worden geen grootschalige nieuwe ontwikkelingen rechtstreeks mogelijk gemaakt. Er is slechts sprake van ontwikkelingen die al mogelijk zijn op basis van een eerdere procedure of die in de toekomst mogelijk worden gemaakt via een wijzigingsplan.

In het eerste geval heeft al een toetsing plaatsgevonden aan milieu wet- en regelgeving. In het tweede geval kan dit onderzoek worden uitgevoerd in het kader van de te doorlopen afwijkings- of wijzigingsprocedure. Op dat moment is de definitieve opzet van het plan immers pas bekend en kan er rekening worden gehouden met de actuele omgevingssituatie.

Gelet op het bovenstaande moet het omgevingsonderzoek in de onderstaande paragrafen daarom vooral worden gezien als een verkennend onderzoek waarbij randvoorwaarden en eventuele aandachtspunten voor de beoogde ontwikkelingen in beeld worden gebracht. Een definitieve toets voor de beoogde ontwikkelingen wordt uitgevoerd bij het doorlopen van de wijzigingsprocedure.

Bodem en geluid

Bodem

Bij nieuwe ontwikkelingen is minimaal historisch onderzoek nodig. Indien een locatie van functie wijzigt en ter plaatse een voor bodemverontreiniging verdachte activiteit is uitgevoerd, is bodemonderzoek conform de NEN-5740 nodig. Uit het onderzoek blijkt of de locatie geschikt is voor het toekomstig gebruik of aanvullende bodemwerkzaamheden (onderzoek en/of sanering) nodig zijn. Voorafgaand aan nieuwbouw kan het in het kader van de Bouwverordening nodig zijn onderzoek conform de NEN-5740 uit te voeren.

Geluid

Wegverkeerslawaai

In de directe omgeving of aan de randen van het plangebied zijn een aantal wegen gelegen waarvoor een geluidszone van kracht is. Het gaat om wegen waar een maximumsnelheid van 50 km/uur geldt. Voorbeelden zijn: Reggesingel, Watermolen en de Wierdensestraat.

Indien in de toekomst binnen een geluidszone (200 m aan weerszijden van de weg) nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt, dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Daarbij dient te worden getoetst aan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Indien niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, moeten hogere grenswaarden worden vastgesteld. Een ontwerpbesluit hogere grenswaarden dient samen met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te worden gelegd.

Spoorweglawaai

Aan de noord- en noordwestzijde van het plangebied liggen de spoorlijnen Apeldoorn - Deventer - Almelo. Op grond van het Besluit geluidhinder spoorwegen is op deze spoorweg een geluidszone van 500 m aan weerszijden van het spoor van toepassing. Deze geluidszone reikt over een groot deel van het plangebied. Indien binnen deze geluidszone nieuwe geluidsgevoelige objecten worden mogelijk gemaakt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden.

Industrielawaai

In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van een geluidszone (50 dB(A)) van een industrieterrein. Zodoende heeft het aspect 'industrielawaai' geen gevolgen voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend bestemmingsplan.

Externe veiligheid & bedrijven en milieuzonering

Externe veiligheid

Nabij het plangebied bevindt zich een aantal relevante risicobronnen. Het gaat om de spoorlijn Deventer - Almelo waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd en de aardgastransportleiding van de Gasunie langs de Reggesingel. Enkele risicovolle bedrijven zijn op grotere afstand van het plangebied gelegen op het bedrijventerrein van Rijssen.

verplicht

In het kader van de recente ontwikkeling in de stationsomgeving van Rijssen heeft Royal Haskoning risicoberekeningen uitgevoerd. Er vallen geen kwetsbare objecten binnen een risicocontour van het plaatsgebonden risico van het spoor of de aardgastransportleiding.

In het kader van het groepsrisico laten de uitgevoerde berekeningen zien dat de geplande ontwikkelingen in de stationsomgeving in Rijssen een geringe toename van het berekende groepsrisico veroorzaken. De toename is veroorzaakt doordat na realisatie van de ontwikkeling een hoger aantal personen in de invloedgebieden aanwezig is. In alle gevallen blijft de toename van het groepsrisico onder de oriënterende waarde.

In dit plan zijn naast kleinschalige ontwikkelingen op perceelsniveau geen perceelsoverschrijdende ontwikkelingen voorzien. Hierdoor vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor dit plan.

Bedrijven en milieuzonering

Indien door middel van een plan nieuwe, milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient te worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt.

Zoals eerder aangegeven zijn in dit plan naast kleinschalige ontwikkelingen op perceelsniveau geen perceelsoverschrijdende ontwikkelingen voorzien. Hierdoor vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor dit plan.

Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

De aanwezigheid van veel verschillende planten- en dierensoorten in voldoende aantallen, in ecologisch gezonde natuurgebieden, zorgen ervoor dat de natuur tegen een stootje kan. Sommige soorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen, steenuilen en huismussen, zijn kwetsbaar. In een dichtbevolkt land als Nederland is daarom goede bescherming voor de aanwezige natuur belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, kunnen we economische en andere maatschappelijke activiteiten meer ruimte te bieden. In de Wet natuurbescherming (Wnb) staat voor welke activiteiten een melding, ontheffing of vergunning verplicht is

Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied in het kader van bijvoorbeeld de Habitat- of Vogelrichtlijn. Het projectgebied ligt niet in of nabij een Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Het projectgebied is ook niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gelegen. Gebiedsbescherming is derhalve niet van toepassing.

Wat betreft soortbescherming is de Flora- en faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.

Het voorliggende omgevingsplan is conserverend van aard, dit betekent dat er geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden toegestaan. Hierdoor worden zowel directe als indirecte negatieve effecten op strikt beschermde soorten in de Wet natuurbescherming (Wnb) en op beschermde gebieden in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) niet verwacht.

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Water

Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.

Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het ‘Waterbeheerplan 2016-2021’ vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema’s waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater.

Deze zijn gericht op het:

  • voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte;
  • beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem;
  • het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

Watertoets

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Gemeentelijk waterbeleid

Op basis van de gemeentelijke Watervisie is het streefbeeld voor de kern Hoog Rijssen nog meer het laten infiltreren van regenwater, waardoor ook weer in de stad natuurlijke kwelsystemen (zoals bij de Weijerd en de wellen in de Molenbeek en bij Hagslagen/de Steeg) gaan functioneren en dit schone kwelwater gebruikt kan worden voor de voeding van vijvers en de doorspoeling van het stedelijk watersysteem. In hoog Rijssen wordt vanwege het ontbreken van voldoende openbare ruimte al veel water geïnfiltreerd in IT stelsels, kratten, lavavelden en diepinfiltraties.

De gemeente Rijssen-Holten heeft vanuit haar rol als rioleringbeheerder beleid opgesteld ten aanzien van riolering. Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met de Waterschappen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Naar aanleiding van de wateroverlast van 2002 en 2003 heeft de gemeente het beleid geformuleerd dat in geval van inbreidingslocaties het water in het gebied moet blijven. Dit houdt in dat het hemelwater op de locatie geïnfiltreerd moet worden.

Het uitgangspunt bij binnenstedelijke herontwikkelingen is dat per m² afvoerend verhard oppervlak 30 mm statische berging gerealiseerd wordt. Indien niet voldaan kan worden aan de genoemde afkoppelnorm dient een bijdrage van € 26,-/m2 per toegevoegd verhard oppervlak bijgedragen te worden ten gunste van het gemeentelijk rioleringsfonds.

Archeologie

Algemeen

Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien sprake is van een hoge of middelhoge trefkans, of indien het plangebied niet is gekarteerd.

Onderzoek

Echter, doordat voorliggend omgevingsplan een conserverend karakter heeft en dus niet voorziet in perceelsoverschrijdende ontwikkelingen waarvoor de grond wordt geroerd, is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

Dubbelbestemming

In het onderhavige omgevingsplan zijn, in aansluiting op het gemeentelijk archeologiebeleid en in overleg met de regionale medewerker archeologie, de dubbelbestemmingen Waarde - AMK terreinen, Waarde - Archeologie hoge verwachting en Waarde - Archeologie middelhoge verwachting opgenomen.

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

Verkeer & Luchtkwaliteit

Verkeer

Bij nieuwe ontwikkelingen met een grote verkeersaantrekkende werking moet worden gemotiveerd of de verkeersafwikkeling kan worden gewaarborgd (mobiliteitstoets). Daarnaast dient aandacht te worden besteed aan aspecten als verkeersveiligheid, openbaar vervoer, langzaam verkeer en parkeren. In het voorliggende omgevingsplan worden dergelijke ontwikkelingen niet mogelijk gemaakt, waardoor op deze punten geen motivering is vereist.

Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Verantwoording

Met het voorliggende omgevingsplan worden geen grootschalige ontwikkelingen rechtreeks mogelijk gemaakt. Zodoende zullen de bovengenoemde drempelwaarden uit het besluit "Niet in betekenende mate" niet worden overschreden en is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer niet aan de orde.

Juridische aspecten

Algemeen juridisch kader

In de andere hoofdstukken van deze toelichting is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische bindende deel van het omgevingsplan: de verbeelding en de regels.

De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van de fysieke leefomgeving, zoals het gebruik en functies van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende slopen, reclame, erfgoed, kappen, evenementen en het gebruik van openbare ruimte.

De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

Toedeling van functies aan locaties

In een omgevingsplan deelt de gemeente functies toe aan locaties voor het hele plangebied. Het kan gaan om functies zoals bijvoorbeeld wonen, dienstverlening, bedrijven, transformatiegebied of een gemeentelijk monument.

verplicht

Het gaat feite om het bestemmen van gronden en gebouwen wat veel lijkt op de huidige bestemmingsplanpraktijk.

Bouwregels

Bouwregels hebben betrekking op de situering van gebouwen, de bouw- en goothoogte, verticale parcellering en mogelijke kapvormen met dakhellingen en nokrichting.

De situering van de gebouwen

De plaats waar gebouwen mogen worden gebouwd wordt grotendeels bepaald door het wetgevingszone - bouwvlak. Daar waar in de rooilijn gebouwd moet worden is een gevellijn opgenomen.

verplicht


Gevelbreedte

De bestaande bebouwing wordt in het algemeen gedomineerd door betrekkelijk kleinschalige gebouwen met een beperkte gevelbreedte. Het behoud hiervan wordt geregeld via een bepaling dat de gevels niet breder mogen zijn dan 8,00 meter (met uitzondering van de bestaande situaties).

Kapvormen

In het plangebied komen overwegend de volgende kapvormen voor: zadeldak, schilddak en afgeknot schilddak, dan wel samengestelde delen van deze kapvormen. Om het bestaande bebouwingsbeeld zo veel mogelijk te kunnen behouden, is vastgelegd dat de gebouwen waar zowel de goot- als de bouwhoogte is geregeld, worden voorzien van een traditionele kapvorm. Binnen de marges van de op de plankaart opgenomen goot- en bouwhoogte, kunnen de kappen worden gerealiseerd. Bestaande afwijkingen worden gerespecteerd door middel van de regeling 'bestaand', welke als uitzonderingsbepaling in de regels is opgenomen.

Slopen

Om open plekken in het centrum te voorkomen is een regeling opgenomen. Het Chw Omgevingsplan Centrum Rijssen wil rekening houden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Door het opleggen van een sloopvergunningstelsel voor cultuurhistorische of karakteristieke panden voorziet dit in een bescherming tegen ongewenste sloop.

verplicht

Ook gebouwen zonder monumentale status, maar die wel karakteristiek zijn voor de omgeving (bijvoorbeeld een bepaalde dakvorm of gevel) worden op deze manier in het omgevingsplan beschermd. Deze bescherming was ook al opgenomen in het nu nog geldende bestemmingsplan voor het centrum van Rijssen. Het geldende bestemmingsplan komt ter vervallen waardoor deze regeling opnieuw wordt opgenomen.

Reclame

Reclame en uitstallingen in de openbare ruimte bepalen in grote mate het aanzien en beleving van een gebied. Reclames hebben echter de neiging om, onder druk van onderlinge concurrentie, steeds groter en opzichtiger te worden. Dit kan uiteindelijk leiden tot een ongewenst straatbeeld.

verplicht

De huidige regels over reclame staan in de 'Reclamenota gemeente Rijssen-Holten'. Vanwege het integrale karakter van het omgevingsplan zijn deze regels beleidsneutraal overgenomen in dit plan.

Erfgoed

In de Erfgoednota 2015-2019 Rijssen-Holten zijn ambities geformuleerd om het cultureel erfgoed van Rijssen-Holten in gebruik en beleving een waardevol onderdeel te laten uitmaken van de samenleving. Op die manier kan een bijdrage worden geleverd aan de identificatie met de gemeente, de stad, het dorp, de straat en het landschap. Cultureel erfgoed wordt in de Erfgoednota breed gedefinieerd en omvat zowel gebouwde, archeologische en (cultuur)landschappelijke objecten en gebieden als roerend en immaterieel erfgoed.

verplicht

De Erfgoedverordening gemeente Rijssen-Holten 2018 regelt de grondslag voor het aanwijzen van beschermd erfgoed en aanvragen voor omgevingsvergunningen voor gemeentelijk beschermd erfgoed. Een deel van het cultureel erfgoed in het fysieke domein is geborgd via het ruimtelijke spoor en maakt om die reden geen deel uit van de Erfgoedverordening. Daarbij gaat het om karakteristieke panden en archeologische waarden en verwachtingen. Deze waarden worden in dit Chw Omgevingsplan Centrum Rijssen omgevingsplan voorzien van een beschermingsregime.

Kappen

Voor de gronden gelegen binnen het plangebied van dit omgevingsplan wordt de Kapverordening gemeente Rijssen-Holten 2017, vastgesteld door de gemeenteraad op 23 mei 2017, ingetrokken. Voor het overige blijft de Kapverordening gemeente Rijssen-Holten 2017 van kracht.

De verordening is aangepast in verband met de inwerkingtreding per 1 januari 2017 van de Wet natuurbescherming. Bij de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming zijn de bepalingen in de Boswet vervallen en opgenomen in de nieuwe wet. Door het opheffen van het Bosschap per 1 januari 2015 was de werking van de verordening al beperkt tot de gebieden die binnen de grens bebouwde kom liggen, alsmede voor beplanting op erven of in tuinen met een oppervlakte van minder dan 10 are of wanneer het een bomenrij van minder dan 20 bomen betreft.

verplicht

Verder is vanwege de nieuwe vaststelling van de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming (was voorheen grens bebouwde kom Boswet) en vanwege een actualisering, de kaarten met waardevolle bomen en de lijst met waardevolle boombeplanting, als bedoeld in artikel 2 opnieuw vastgesteld. Inhoudelijk is de verordening hetzelfde gebleven als de bestaande verordening die bij besluit van 26 maart 2009 is vastgesteld en zoals sindsdien gewijzigd.

Om administratieve redenen en vanwege de leesbaarheid van de regelgeving wordt de verordening van 26 maart 2009 ingetrokken en vervangen door een nieuwe verordening.

Evenementen

Voor de gemeente Rijssen-Holten vormen evenementen een waardevol onderdeel van de samenleving, omdat deze activiteiten voor sociale cohesie, gemeenschapszin en levendigheid zorgen. Ook versterken evenementen de saamhorigheid.

Daarnaast versterken evenementen het imago van de stad en geven impulsen aan de lokale economie. Tevens kunnen evenementen een brug slaan tussen diverse culturen en bieden evenementen ook de vele vrijwilligers een zinvolle bezigheid.

Ook kunnen evenementen een aantrekkingskracht hebben op toeristen , zoals de Lommerdmarkten. De verscheidenheid aan evenementen is vooral in de zomermaanden een aantrekkelijke voorziening voor de gasten van de gemeente (uiteraard ook voor de eigen inwoners)

verplicht

Standplaatsen terassen en uitstallingen

De openbare weg wordt in het centrum ook gebruikt voor het innemen van standplaatsen, terrassen en uitstallingen. De doelstelling is om in het belang van de openbare orde en veiligheid regels te stellen voor het gebruik van openbare ruimte.

Wat wordt onder het begrip openbare weg of weggedeelten verstaan; In de A.P.V. wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: Weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994. De eigendomssituatie doet daarin niet ter zake. Ook particulier eigendom kan behoren tot de openbare weg. In veel gevallen, met name in het centrum van de kernen, is daarvan sprake.

De bepalingen hebben uitsluitend betrekking op winkeluitstallingen, (winkel)reclameborden, voorwerpen op, aan of boven de openbare weg met een permanent karakter en terrassen.

verplicht

Ook voorziet de regeling in een recognitieregeling. De recognitie is een vergoeding voor het gebruik van gemeente eigendommen en dient ter erkenning van het eigendomsrecht.

Binnen het plangebied komen de huidige regels over standplaatsen, terrassen en uitstallingen zijnde Beleid gebruik openbare ruimte voor winkeluitstallingen, reclameborden, voorwerpen en terrassen 2012 te vervallen.

Algemene regels

Algemene regels hebben betrekking op regels die gelden voor het hele plangebied. Het gaat hierbij om algemene regels over functies en het gebruik van gronden en opstallen in het centrum van Rijssen. Ook worden hier algemene bouwregels beschreven waarvan kan worden afgeweken, mits het past in het genoemde afwegingskader. Per geval moet worden gemotiveerd of een afwijking van de bouwregels .

verplicht

Daarnaast gelden er ook delegatie regels, waarbij de gemeenteraad een afgebakende bevoegdheid overdraagt naar het college van burgemeester en wethouders.

Economische uitvoerbaarheid

Gezien de inhoud van het voorliggende Chw omgevingsplan bestaat er geen wettelijke basis voor het vaststellen van een exploitatieplan. De gemeenteraad stelt namelijk een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen en waar sprake is van een kostenverhaal.

Onderhavig Chw omgevingsplan heeft een harmoniserend karakter. Op grond van deze bestemmingen is vervangende nieuwbouw en uitbreiding van bestaande bebouwing mogelijk. Hiervoor zullen echter geen verhaalbare kosten in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening aan de orde zijn of deze verhaalbare kosten zullen uitsluitend betrekking hebben op de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op de nutsvoorzieningen. Dit valt derhalve onder de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, waarbij de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk is.

verplicht

Participatie

Een Chw omgevingsplan beschrijft de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het plan zijn betrokken. Dit hoofdstuk gaat hier op in.

verplicht

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.

PM INVOEGEN INSPRAAK

Vooroverleg

Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een Chw omgevingsplan pleegt daarbij overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de fysieke leefomgeving of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

Provincie Overijssel

De provincie heeft in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 vastgelegd wat zij van provinciaal belang vindt. Om te zorgen dat gemeenten daar in bestemmingsplannen (met verbrede reikwijdte) rekening mee houden, zijn instructies opgenomen in de Omgevingsverordening. In de paragraaf XXX is het plan getoetst aan de provinciale belangen.

Volgens afspraak is er in de voorbereidingfase van bestemmingsplannen vooroverleg tussen de gemeente en de provincie over die onderdelen die van provinciaal belang zijn.

PM REACTIE INVOEGEN

asdf

Waterschap Vechtstromen

De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een ‘normale procedure’ van het waterschap Vechtstromen. Hiervoor wordt verwezen naar de watertoetsprocedure opgenomen in paragraaf XXX Eventuele reacties van het waterschap worden opgenomen in deze paragraaf.

Zienswijzen

Mochten er tijdens de terinzagelegging van het ontwerpplan zienswijzen binnenkomen dan worden deze door de gemeenteraad bij de vaststelling van het Chw omgevingsplan afgewogen.

Regels

Inleidende regels

Begrippen

aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit:

een beroeps- of bedrijfsactiviteit, uitgevoerd door (een van) de hoofdbewoner(s) van de woning, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet verkeersaantrekkend of milieuhinderlijk zijn en geen betrekking hebbend op detailhandel of horecagerelateerde activiteiten, die op kleine schaal in een woning en/of daarbij behorende bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie en de woonomgeving ter plaatse.

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

standplaatsen

het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

aaneen gebouwd:

meer dan twee woningen waarvan ten minste één gevel van de hoofdgebouwen aaneen zijn gebouwd.

bebouwing:

een of meer gebouwen en/of bouwwerken.

bebouwingspercentage:

een in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage dat de grootte van het gedeelte van het bouwvlak of bouwperceel aangeeft, dat ten hoogste mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald.

bed en breakfast:

het bieden van de, ten opzichte van de woonfunctie ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt met maximaal drie kamers aan niet meer dan zes personen die hun hoofdverblijf elders hebben, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie. Hieronder wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden, studie en/of arbeid of permanente kamerverhuur.

bedrijf:

een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;

bestaande:
  1. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is binnen het betreffende bouwperceel en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
  2. het onder 1 bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, de voorheen geldende Beheersverordening, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan of de Beheersverordening, of een andere planologische toestemming.
bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel.

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

detailhandel in volumineuze goederen:

detailhandelsbedrijf:

  1. in auto's, motoren, boten en landbouwwerktuigen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen of materialen, mits de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van deze samenhangende artikelen niet meer bedraagt dan 20% van de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende bedrijf;
  2. in caravans, tenten, zwembaden en de daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals specifieke onderhoudsmiddelen, onderdelen of materialen, recreatie- en campingbenodigdheden, mits de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van deze samenhangende artikelen niet meer bedraagt dan 20% van de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende bedrijf, met een maximum van 100 m²;
  3. in grove bouwmaterialen en bouwstoffen voor de ruwbouw van gebouwen en dergelijke, zoals stenen, zand, beton, bestrating materiaal, hout;
  4. in keukens, badkamers en sanitair en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, inbouwapparatuur en tegels, mits de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van deze samenhangende artikelen niet meer bedraagt dan 20% van de brutovloeroppervlakte van het desbetreffende bedrijf;
  5. in artikelen en goederen die naar aard en omvang en effecten voor de omgeving gelijk kunnen worden gesteld met de hiervoor onder a t/m e bedoelde artikelen en goederen, in ieder geval met uitzondering van voedings- en genotmiddelen;
  6. in meubelen en woninginrichtingsartikelen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen als vloerbedekking, parket, verlichting, kachels en zonwering;
  7. in de vorm van bouwmarkten, zijnde detailhandel met een al dan niet geheel overdekte verkoopvloeroppervlakte, waarop het volledige assortiment van bouw- en doe-het-zelfproducten uit voorraad op basis van zelfbediening wordt aangeboden;
  8. in de vorm van tuincentra, zijnde detailhandel met een al dan niet geheel overdekte verkoopvloeroppervlakte, waarop artikelen voor de inrichting en het onderhoud van tuinen en de daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen worden aangeboden;
detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die deze goederen kopen voor gebruik en/of verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van bedrijfs- of beroepsactiviteiten.

dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten aan derden, waarbij afnemers rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen.

dienstwoning/bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts is bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond en/of het terrein noodzakelijk moet worden geacht.

erker:

een bouwkundig en visueel aan de woning ondergeschikt, uitgebouwd venster.

functioneel ondergeschikt:

een gebruik dat ondersteunend is aan de primaire woonfunctie, zoals een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, garage, berging, bijkeuken, atelier, tuinhuisje, fietsenberging of hobbyruimte.

gebouw:

elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

hoofdgebouw:

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

horeca:

een bedrijf waar hoofdzakelijk dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, restaurant, hotel, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

horecabedrijf:

het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse, al dan niet in samenhang met het bedrijfsmatig verschaffen van logies en/of het exploiteren van zaalaccommodatie, met uitzondering van een discotheek.

kantoor:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van administratieve, boekhoudkundige c.q. financiële, organisatorische en/of zakelijke dienstverlening - niet zijnde detailhandel - al dan niet met een (publiekgerichte) baliefunctie.

maatschappelijke (sport)voorzieningen:

educatieve, (sociaal-)medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, kinderopvang, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie alsook ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen, met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van gemotoriseerde en gemechaniseerde sporten.

mantelzorg:

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.

ondergeschikt sportgebouwen:

een gebouw of een onderdeel van een gebouw ten dienste van de bestemming zoals een dug-out en/of materiaalhok en daarmee gelijk te stellen gebouwen die in stedenbouwkundig opzicht qua omvang en situering als ondergeschikt aan het hoofdgebouw vallen aan te merken.

overkapping:

een bouwwerk in de vorm van een constructie bestaande uit maximaal drie wanden waarvan maximaal twee tot de constructie zelf behoren.

peil:
  1. voor gebouwen waarvan de hoofdingang onmiddellijk aan een weg of pad grenst: de hoogte van die weg of dat pad ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte terrein ter plaatse.
persoonsgebonden overgangsrecht:

een persoonsgebonden overgangsrecht is een overgangsrecht zoals bedoeld in artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat het strijdige gebruik mag worden voortgezet door die perso(o)n(en) die op de datum van vaststelling van het bestemmingsplan een persoonsgebonden overgangsrecht hebben.

pickup point:

een locatie uitsluitend bedoeld voor opslag en distributie van artikelen ten behoeve van aan- of verkoop via internet tussen bedrijf en consument, waar geen rechtstreekse verkoop of productadvisering via winkel, showroom of etalage plaatsvindt.

plan:

het bestemmingsplan 'Chw Omgevingsplan Centrum Rijssen' met identificatienummer NL.IMRO.1742.BPRC2018000-0201 van de gemeente Rijssen-Holten.

risicovolle inrichting:

een inrichting, waarvoor op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.

seksinrichting:

een inrichting, bestaande uit één of meer voor publiek toegankelijke, besloten ruimten, waarin bedrijfsmatig of op een daarmee vergelijkbare wijze seksuele handelingen worden verricht; onder een hiervoor bedoelde inrichting wordt in elk geval verstaan een bordeel.

toegangspartij:

een bouwkundig en visueel aan de woning ondergeschikt (voor)portaal voor de (hoofd)ingang.

vrijstaande woning:

een woning waarvan het hoofdgebouw niet direct is verbonden met het hoofdgebouw van een andere woning.

woning:

een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden, zijnde de samenlevingsvorm van één gezin of een met een gezin gelijk te stellen samenlevingsverband, waaronder mede wordt begrepen de inwoning van één ander huishouden met eigen voorzieningen.

woonwagen:

een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1.1 dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.1.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.1.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.1.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, liftschachten, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.1.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.1.6 afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

Ondergeschikte bouwdelen

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,75 m bedraagt.

Maatvoering

Alle maten zijn tenzij anders aangegeven:

  1. voor lengten in meters (m);
  2. voor oppervlakten in vierkante meters (m²);
  3. voor inhoudsmaten in kubieke meters (m³);
  4. voor verhoudingen in procenten (%);
  5. voor hoeken/hellingen in graden (º).
verticale parcellering
  1. een gebouw dient vrijstaand dan wel individueel aaneen te worden gebouwd;
  2. de parcellering van een straatgevel heeft eenheden van ten hoogste 8 m, tenzij;
    1. de bestaande eenheden breder zijn, in welk geval de bestaande maat als maximum geldt;
    2. het historisch straatbeeld aanleiding geeft tot een bredere maat;
  3. de gevel dient een verticale gevelindeling te hebben;
goot- en bouwhoogte, kapvorm, dakhelling en nokrichting
  1. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen bedragen niet meer dan de bestaande goot- en bouwhoogte verhoogd met maximaal 10%, dan wel de goot- en bouwhoogte niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en/of bouwhoogte' aangegeven bouwhoogte;
  2. een gebouw dient te zijn voorzien van een traditionele kapvorm dan wel samengestelde delen hiervan, met inachtneming van de volgende regels:
    1. de dakhelling dient ten minste 40° te bedragen;
    2. de dakhelling dient ten hoogste 60° te bedragen;
    3. de nokrichting dient haaks op de voorgevel van het gebouw te liggen, tenzij;
      • het historisch straatbeeld aanleiding geeft tot een andere kapvorm, dakhelling of nokrichting;
      • de bestaande kap afwijkt mag de bestaande dakhelling en nokrichting van de kap worden toegepast;
  3. met omgevingsvergunning kan afgeweken worden van de aangegeven kapvorm dan wel dat van een gebouw een ondergeschikt gedeelte van het dak wordt voorzien van een plat dak, mits het historisch straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt geschaad.
bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde
  1. voor bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels;
    1. de bouwhoogte van terreinafscheidingen voor de voorgevel bedraagt ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m, met dien verstande dat voor hoeksituaties gericht op de openbare weg of openbaar groen geldt dat 3 m achter het verlengde van de voorgevel van de woning de bouwhoogte ten hoogste 2 m bedraagt en daarvoor ten hoogste 1 m;
    2. de hoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 m;
    3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2,5 m bedragen.
de voorste 18 meter zone

Voor de bouw van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken tussen de voorgevel (en het verlengde hiervan) en de 18 m er achter, dan wel niet meer dan de bestaande afstand van het hoofdgebouw indien deze meer bedraagt, geldt dat:

  1. de goot- en bouwhoogte van gebouwen mogen niet meer dan de bestaande goot- en bouwhoogte bedragen, met dien verstande dat nieuwe of vervangende bouw dient te worden aangesloten bij de goot- en/of bouwhoogte van de naastgelegen woningen;
  2. de afstand van de hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken tot de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt:
    1. bij vrijstaande woningen minimaal 2,5 m, met dien verstande dat aan één zijde die afstand minimaal 0 m mag bedragen, mits 3 m achter de voorste voorgevel en/of het verlengde daarvan en met een maximale goothoogte van 3,5 m en een maximale bouwhoogte die 1 m lager dient te zijn dan de nok van het hoofdgebouw;
    2. bij dubbele woningen minimaal 2,5 m aan één zijde, met dien verstande, dat die afstand minimaal 0 m mag bedragen, mits 3 m achter de voorgevel en/of het verlengde daarvan en met een maximale goothoogte van 3,5 m en een maximale bouwhoogte die 1 m lager dient te zijn dan de nok van het hoofdgebouw;
    3. bij woningen van drie of meer aaneen minimaal 1 m aan één zijde bij de eindwoningen van de aaneengesloten woningen, met dien verstande, dat die afstand minimaal 0 m mag bedragen, mits 3 m achter de voorgevel en/of het verlengde daarvan en met een maximale goothoogte van 3,5 m en een maximale bouwhoogte die 1 m lager dient te zijn dan de nok van het hoofdgebouw;
    4. in geval van een kleinere afstand, de op het moment van terinzagelegging van het ontwerpplan bestaande afstand tot de zijdelingse perceelsgrens;
  3. bijbehorende bouwwerken mogen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd, met dien verstande dat:
    1. de bestaande afstand, indien deze minder dan 3 m bedraagt, in acht mag worden genomen;
    2. de goot- en bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3,5 m respectievelijk 6,5 m mag bedragen;
    3. plat afgedekte overkappingen op niet minder dan 1 m achter de voorgevel mogen worden gebouwd, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m mag bedragen;
  4. de voorgevel van de hoofdgebouwen dient in of maximaal 1 m achter de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd,
achter de 18 meter zone

Voor de bouw van bijbehorende bouwwerken achter de 18 m vanaf de voorgevel (en het verlengde hiervan), dan wel achter de bestaande (het verlengde van de) achtergevel van het hoofdgebouw indien deze meer bedraagt, geldt dat:

  1. de ruimten functioneel ondergeschikt dienen te zijn, met uitzondering van mantelzorg;
  2. de goothoogte niet meer dan 3,5 m mag bedragen;
  3. de bouwhoogte niet meer dan 6,5 m mag bedragen;
  4. de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 75 m2 mag bedragen, dan wel:
    1. een groter oppervlak tot maximaal 20% van het bouwperceel of;
    2. het bestaande oppervlak als dat groter is.
uitbouwen zoals een erker, toegangspartij, luifel of balkon

Een erker, toegangspartij, luifel of balkon mag tot maximaal 1,5 m buiten de wetgevingszone - bouwvlak worden gebouwd met dien verstande dat:

  1. de afstand van enig deel van de uitbouw ten minste 2,5 m uit de naar de weg gekeerde perceelsgrenzen bedraagt;
  2. de hoogte niet meer mag zijn dan 25 cm boven de eerste verdiepingsvloer;
  3. de uitbouwen mogen niet over de gehele breedte van de woning worden gebouwd.
Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  2. het straat- en bebouwingsbeeld;
  3. de verkeersveiligheid;
  4. het behoud van de karakteristiek zoals beschreven in lid ;

nadere eisen stellen aan:

  1. de plaats en oriëntatie van gebouwen in die zin dat de voorgevel van hoofdgebouwen in de naar de weg gekeerde bouwgrens moeten worden gebouwd;
  2. de bouw- en goothoogte van hoofdgebouwen en daarvan onderdeel uitmakende aan- of uitbouwen in de zin dat deze aansluiten bij de naastgelegen woningen;
  3. de nokrichting van het hoofdgebouw indien de meeste naastgelegen karakteristieke gebouwen een kenmerkend gelijke nokrichting aangeven;
  4. de grootte en inhoud van de zelfstandige woonruimte noodzakelijk vanuit een oogpunt van de mantelzorg.
Advies deskundige

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19.3.1 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.

Advies deskundige

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 35.4 wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning archeologische waarden (kunnen) worden aangetast, en welke voorschriften aan de omgevingsvergunning moeten worden verbonden.

Uitzonderingen

Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 19.4.1 is nodig voor:

  1. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, mits de gronden niet dieper dan 0,5 m worden geroerd;
  2. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die op het moment van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning;
  3. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden als onderdeel van een ingreep in de bodem met een oppervlakte van maximaal 50 m2;
  4. werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden waarvoor een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 nodig is.

Waarde - Archeologie hoge verwachting

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Omgevingsvergunningplicht

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 36.2.2, zonder een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op en in de in lid 36.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 100 m² of meer:

  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;
  2. het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;
  3. het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,5 m onder peil;
  4. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  5. het ophogen en egaliseren van gronden.
Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht

Het in sublid 36.2.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:

  1. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  2. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  3. waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan:
    1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist;
    2. is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
Toelaatbaarheid werken of werkzaamheden

De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in sublid 36.2.1, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  1. door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en
  2. door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge verwachting' het plan te wijzigen zodanig dat deze dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval uit het plan wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.

Waarde - Archeologie middelhoge verwachting

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachting' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Omgevingsvergunningplicht

In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige dan wel naar verwachting aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 37.2.2, zonder een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op en in de in lid 37.1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, over een oppervlakte van 250 m² of meer:

  1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;
  2. het verlagen van de bodem en afgraven van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil;
  3. het graven of anderszins aanbrengen van watergangen en waterpartijen, dieper dan 0,5 m onder peil;
  4. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
  5. het ophogen en egaliseren van gronden.
Uitzonderingen omgevingsvergunningplicht

Het in sublid 37.2.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden:

  1. in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  2. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
  3. waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan:
    1. is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist;
    2. is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
Toelaatbaarheid werken of werkzaamheden

De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden als bedoeld in sublid 37.2.1, zijn slechts toelaatbaar, indien:

  1. door die werken of werkzaamheden, danwel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, danwel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en
  2. door aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoge verwachting', het plan te wijzigen zodanig dat deze dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval uit het plan wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.

geringe eet- en drinkwaren voor consumptie ter plaatse

snacks, zoals patat, ijs, vis, stroopwafels en Vietnamese loempia's, en drinkwaren;

lommerdmarkt

een markt waarop gebruikte goederen en spulletjes worden verkocht door in de eerste plaats particulieren (kinderen en volwassen) en in de tweede plaats commerciële handelaren in tweedehands gebruikte goederen en waarop een beperkt aantal standplaatsen ingenomen kan worden ten behoeve van de verkoop van geringe eet- en drinkwaren voor consumptie ter plaatse.

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Algemene gebruiksregels

Algemeen strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in elk geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bebouwing als:

  1. stort- en/of opslagplaats van aan het gebruik onttrokken goederen en materialen, anders dan als tijdelijke opslag ten behoeve van het normale gebruik en onderhoud;
  2. stalling- en/of opslagplaats van een of meer aan het gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik of onderhoud;
  3. horecabedrijven in de vorm van bar-dancings, of nachtclubs en/of discotheken;
  4. seksinrichting of prostitutiebedrijf;
  5. BEVI-inrichting;
  6. industriële bedrijvigheid;
  7. vuurwerkopslag;
  8. detailhandel in explosieve goederen;
  9. grow-, smart- en headshop;
  10. het innemen van standplaatsen;
  11. overnachtingen op een evenemententerrein.
Algemene parkeernormen auto's, fietsen, laden en lossen
Voorwaardelijke verplichting parkeren auto's, fietsen, laden en lossen
  1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden, zoals toegestaan op grond van de onderliggende ruimtelijke plannen, waarbij sprake is van een parkeerbehoefte, wordt niet eerder verleend dan nadat in voldoende mate is voorzien in parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de 'Nota parkeernormen gemeente Rijssen-Holten' (2013);
  2. Een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden, zoals toegestaan op grond van de onderliggende ruimtelijke plannen, waarbij sprake is van een behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen, wordt niet eerder verleend dan nadat in voldoende mate is voorzien in ruimte voor het laden en lossen van goederen;
  3. Als de onder a bedoelde beleidsregels of nota wordt gewijzigd, dan wordt met die wijziging rekening gehouden.
Afwijken van de gebruiksregels
  1. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning en overeenkomstig de 'Nota parkeernormen gemeente Rijssen-Holten' (2013) afwijken van het bepaalde in artikel 46.2.1 onder a en b inzake de eis dat in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen en ruimte voor laden en lossen moet worden voorzien, mits in dat geval sprake is van een integrale afweging en daarmee een ander, zwaarder wegend belang wordt gediend en dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de openbare ruimte;
  2. Als de onder a bedoelde beleidsregels of nota wordt gewijzigd, dan wordt met die wijziging rekening gehouden.
Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend;

  1. het gebruik van gronden en bouwwerken met een parkeerbehoefte dan wel een behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen zonder dat hierin in voldoende mate is voorzien overeenkomstig de 'Nota parkeernormen gemeente Rijssen-Holten' (2013).

Algemene gebruiksregels voor woningen

Onder strijdig gebruik ten aanzien van woningen wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de Functieregels, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  1. het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk ten behoeve van aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten;
  2. het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk als zelfstandige woonruimte.
Afwijken van de functieregels ten behoeve van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de gebruiksregels voor het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk ten behoeve van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit voor zover de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd en geen ernstige hinder of afbreuk aan het woonmilieu wordt gedaan. Dit betekent dat:

  1. de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair moet blijven;
  2. aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep uitsluitend inpandig mogen worden verricht;
  3. maximaal 35% van de brutovloeroppervlakte van de gebouwen mag worden gebruikt voor de aan huis verbonden activiteiten ten behoeve van het beroep met een maximum van 75 m²;
  4. degene die de gebruiker is van de woning ook degene moet zijn die het aan huis verbonden beroep uitoefent;
  5. de ruimtelijke uitstraling van de activiteiten qua aard, omvang en intensiteit verenigbaar moet zijn met het karakter van de omringende woonomgeving;
  6. bedrijfsactiviteiten uitsluitend zijn toegestaan indien deze voorkomen in of gelijk zijn te stellen met de categorieën 1 en 2 zoals vermeld in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  7. behoudens verkoop van ter plaatse vervaardigde goederen in direct verband met het aan huis verbonden beroep, geen detailhandel mag plaatsvinden;
  8. het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeersituatie ter plaatse; ten aanzien van het laatste geldt als uitgangspunt dat dient te worden geparkeerd op eigen terrein.
Afwijken van de gebruiksregels ten behoeve van mantelzorg

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de gebruiksregels voor het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk als zelfstandige woonruimte, mits:

  1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg en de noodzaak van tijdelijke bewoning uit het oogpunt van mantelzorg (middels een schriftelijke verklaring van de behandelend huisarts of specialist) wordt aangetoond;
  2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  3. de zelfstandige woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijbehorende bouwwerken wordt ingepast, waarbij nadere eisen met betrekking tot de grootte en inhoud van de bewoning kunnen worden gesteld;
  4. het bijbehorende bouwwerk is gelegen op een maximale afstand van 25 m van het hoofdgebouw;
  5. het gebruik van bewoning ten behoeve van mantelzorg er niet toe leidt dat extra ontsluitingsmogelijkheden op de openbare weg worden aangelegd;
  6. sprake is van ruimte (hoek)kavels van ten minste 350 m² die qua bereikbaarheid en veiligheid al goed zijn ontsloten en voldoende ruimte bieden voor een vrijstaand bijgebouw;
  7. in het hoofdgebouw of aangebouwde bijbehorende bouwwerken geen zelfstandige woonruimte voor mantelzorg is gerealiseerd.

De omgevingsvergunning, verleend op grond van artikel 37.2.3, kan worden ingetrokken, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.

Algemene afwijkingsregels

Afwijkingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken:

  1. voor het toestaan van nieuwe woningen voor zover de woningbouw past in de gemeentelijke woningbouwprogrammering;
  2. van de bouwregels in die zin dat ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' de bouwhoogte van gebouwen mag worden verhoogd door het bouwen van een kap, dan wel samengestelde delen hiervan;
  3. ten behoeve van het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken, zoals kunstwerken, nutsvoorzieningen, fietsenstallingen, wachthuisjes, telefooncellen, bewaarplaatsen van huisvuilcontainers, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de oppervlakte niet meer dan 30 m² en de bouwhoogte niet meer dan 3 m mag bedragen;
  4. indien en voor zover afwijkingen ten aanzien van de ligging van bouw- en aanduidingsgrenzen, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen;
  5. vervallen.
  6. ten behoeve van het bouwen van antennemasten tot een bouwhoogte van 20 m;
  7. van de bestemmingsregels en toestaan dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en behoeve van zend- en ontvangstmasten voor telecommunicatie, waarvan de bouwhoogte vanaf peil ten hoogste 55 m mag bedragen, worden gebouwd, met dien verstande dat;
    1. de noodzaak voor plaatsing van de antenne is aangetoond waarbij het gedeelde gebruik van masten moet zijn overwogen;
    2. de mast bij voorkeur op een bedrijventerrein wordt geplaatst;
    3. de mast bij voorkeur op of in de onmiddellijke nabijheid van hoge gebouwen en/of bouwwerken of langs grote infrastructurele lijnen (zoals hoogspanningsleidingen en (spoor)wegen) wordt geplaatst;
Afwegingskader

De onder 47.1 bedoelde omgevingsvergunningen mogen niet leiden tot een onevenredige aantasting van:

  1. het straat- en bebouwingsbeeld;
  2. de stedenbouwkundige structuur;
  3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken;
  4. de verkeersveiligheid;
  5. de fysieke veiligheid;
  6. landschappelijke en natuurlijke waarden;
  7. de milieusituatie;
  8. de externe veiligheid.

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken
Overgangsbepaling

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot;

  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
Afwijking

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in artikel 49.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 49.1.1 met maximaal 10%.kk

Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Artikel 49.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Overgangsrecht gebruik
Overgangsbepaling

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

Strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 49.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 49.2.1, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Artikel 49.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte 'Chw Omgevingsplan Centrum Rijssen'

Bijlagen

Lijst met categorisering evenementen

Categorie kleine evenementen

vormen van evenementen met;

  1. een maximale duur van 72 aaneengesloten uren (inclusief het opbouwen en afbreken) en;
  2. een maximum aantal bezoekers van 500 gelijktijdig aanwezig en;
  3. een maximaal langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) van 65 dB(A) op de gevels van de woningen om en nabij het (evenementen)terrein.

Categorie middelgrote evenementen

vormen van evenementen met:

  1. een maximale duur van 120 aaneengesloten uren (inclusief het opbouwen en afbreken) en;
  2. een maximum aantal bezoekers van 1000 gelijktijdig aanwezig en;
  3. een maximaal langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) van 75 dB(A) op de gevels van de woningen om en nabij het (evenementen)terrein.

Categorie grote evenementen

vormen van evenementen met:

  1. een minimale duur van 120 aaneengesloten uren (inclusief het opbouwen en afbreken) en;
  2. een minimum aantal bezoekers van 1000 gelijktijdig aanwezig en;
  3. een maximaal langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,lt) van 85 dB(A) op de gevels van de woningen om en nabij het (evenementen)terrein.

Grootste variabele bepaalt categorie

Evenementen die niet passen binnen één categorie moeten als volgt beoordeeld worden. De grootste variabele in onderstaande tabel bepaalt de categorie.

categorie klein middelgrote groot
aantal uren <=72 <=120 >120
aantal bezoekers <=500 <=1000 >1000
geluid (Lar,lt) dB(A) <=65 <=75 <=85